Het voltooid deelwoord (vd) | Gratis oefenen

Wat is een voltooid deelwoord en hoe vind je een voltooid deelwoord in een zin? De afkorting van het voltooid deelwoord is ‘vd’.

Een voltooid deelwoord laat zien dat iets al gedaan is. De actie is al voltooid in het verleden. Er zijn zowel regelmatige (zwakke) als onregelmatige (zwakke) voltooid deelwoorden.

Regelmatige werkwoorden

Voorbeelden:

  • maken → gemaakt
  • klikken→ geklikt
  • reizen → gereisd

Of het voltooid deelwoord eindigt op -t of -d, bepaal je met behulp van de ’t ex-kofschip-regel.

’t ex-kofschip

Let op de laatste letter van de stam (dat is het werkwoord zonder -en).

  • Eindigt de stam op één van deze medeklinkers: t, k, f, s, ch, p?
    → Voeg dan -t toe.
  • Eindigt de stam op een andere letter?
    → Gebruik dan -d.

Voorbeelden:

  • stoppen → stop → p hoort bij ’t kofschip → gestopt
  • reizen → reizz hoort niet bij ’t kofschip → gereisd

Onregelmatige werkwoorden

Bij onregelmatige werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord soms op -en, maar dit hoeft niet altijd zo te zijn!

Voorbeelden van onregelmatige voltooid deelwoorden:

Ik heb hardgelopen
Ik heb gefloten
Ik heb gedacht
Onregelmatige voltooid deelwoorden

Nu je weet wat voltooid deelwoorden zijn, kun je de oefeningen hieronder maken. Veel succes!


Voltooid deelwoord oefeningen

Onregelmatig/sterk:

Regelmatig/zwak:

Persoonsvorm verleden tijd (pvvt): uitleg en oefeningen

De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd of persoon zet. Klik hier om meer te lezen over je de persoonsvorm vindt in een zin. In de verleden tijd verandert de persoonsvorm op een specifieke manier. Het is belangrijk dat je weet hoe je deze vorm correct spelt.

Je gebruikt de verleden tijd als iets in het verleden is gebeurd en nu afgelopen is.

Voorbeelden:

  • Gisteren maakte ik mijn huiswerk.
  • Vorig jaar woonden zij nog in België.

Stap 1: Kijk of het werkwoord een zwak of sterk werkwoord is

  • Zwak werkwoord: krijgt een -te of -de in de verleden tijd (regelmatig).
  • Sterk werkwoord: verandert van klank in de verleden tijd (onregelmatig).

Stap 2: Pas het ’t kofschip toe (of: ’t fokschaap)

Om te bepalen of je in de verleden tijd -te of -de moet schrijven bij zwakke (regelmatige) werkwoorden, gebruik je het ezelsbruggetje ’t kofschip of ’t fokschaap.

Wat is ’t kofschip?

’t kofschip is een hulpmiddel dat bestaat uit de medeklinkers:

t, k, f, s, ch, p

Als de stam van het werkwoord eindigt op een van deze medeklinkers, schrijf je in de verleden tijd een vorm met -te of -ten.

Eindigt de stam niet op een van deze medeklinkers? Dan gebruik je -de of -den.

Regels voor ’t kofschip

Eindigt de stam op…Gebruik je in de verleden tijd…
Medeklinker uit ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p)-te / -ten
Andere medeklinker of klinker-de / -den

Voorbeelden

  • Werkwoord: werken
    Stam = werk → eindigt op k (zit in ’t kofschip) → verleden tijd = werkte
  • Werkwoord: lachen
    Stam = lach → eindigt op ch (zit in ’t kofschip) → verleden tijd = lachte
  • Werkwoord: leven
    Stam = lev → eindigt op v (zit niet in ’t kofschip) → verleden tijd = leefde
  • Werkwoord: bellen
    Stam = bell → eindigt op l (zit niet in ’t kofschip) → verleden tijd = belde

Alternatief: ’t fokschaap

Sommige mensen gebruiken liever ’t fokschaap. Dat is hetzelfde idee, maar bevat de medeklinkers in een ander woord. Welke je kiest, maakt niet uit — het gaat om de klanken.

InfinitiefPersoonsvorm verleden tijd enkelvoudPersoonsvorm verleden tijd meervoud
makenmaaktemaakten
lerenleerdeleerden
lopenliepliepen
zeggenzeizeiden
fietsenfietstefietsten


Niet alle werkwoorden volgen de vaste regels van ’t kofschip. Sommige werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Die noemen we sterke werkwoorden.

Wat zijn sterke werkwoorden?

Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd, in plaats van dat je er gewoon -te of -de achter zet.

Je kunt ze niet altijd voorspellen. Je moet deze vormen dus uit je hoofd leren.

InfinitiefVerleden tijd enkelvoudVerleden tijd meervoud
lopenliepliepen
etenataten
zienzagzagen
nemennamnamen
beginnenbegonbegonnen
lezenlaslazen


Oefeningen pvvt:

Vul de pvvt in:

Ik-vorm pvvt oefenen:

Werkwoorden vervoegen:


Meer oefenen?

Ga verder met de volgende onderdelen van werkwoordspelling:


Presentatie voor in de les

Persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt): uitleg en oefeningen

Als je vergeten bent wat de stam van een werkwoord is, klik dan hier

Persoonsvorm tegenwoordige tijd vervoegen:

Ikstam
Jij/zij/hij/het/ustam + t
Wij/jullie/zijhele werkwoord

Voorbeelden vervoegingen pvtt

Ikword morgen een jaar ouder.
Jij/zij/hij/het/uwordt morgen een jaar ouder.
Wij/jullie/zijworden morgen een jaar ouder.
Ikloop
Jij/zij/hij/het/uloopt
Wij/jullie/zijlopen
Ikvind
Jij/zij/hij/het/uvindt
Wij/jullie/zijvinden

D of DT op het eind?

Op toetsen zal vaak gevraagd worden of je een persoonsvorm met een d of dt schrijft. Let hierbij altijd goed op. Je schrijft een werkwoord alleen met dt als:

  • De stam eindigt op een d (de stam van ‘worden’ is bijvoorbeeld ‘word‘)
  • Het werkwoord een persoonsvorm is.
  • Het de tegenwoordige tijd is. Let dus op, in de verleden tijd schrijf je nooit dt!!!!
  • Als je hem vervoegt naar jij/hij/zij/het/u

Voorbeelden van dt op het eind

IkWord
JijWordt
uitzondering:Word jij?
HijWordt
ZijWordt
HetWordt
UWordt
WijWorden
JullieWorden
ZijWorden

Oefeningen pvtt/persoonsvorm tegenwoordige tijd:

Werkwoordspelling oefenen gratis| Nederlands

Werkwoordspelling

Wat wil je oefenen?

De stam Persoonsvorm tegenwoordige tijd (PVTT) Persoonsvorm verleden tijd (PVVT) Voltooid deelwoord

Werkwoordspelling oefenen voor het vak Nederlands

Hier kun je gratis werkwoordspelling oefenen voor het vak Nederlands. Dit is handig als je binnenkort een toets of een examen hebt. Wij bieden gratis uitleg en oefeningen aan.

Gratis oefenen

Je kunt de stam, de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt), de persoonsvorm verleden tijd (pvvt) en het voltooid deelwoord oefenen.

De stam (ik-vorm) | Gratis oefenen

De stam van een werkwoord is het hele werkwoord -en. Oftewel de ik-vorm.

Let wel op, want soms moet je de stam een beetje aanpassen om er een kloppend woord van te maken. Bijvoorbeeld:

Werkwoord: Lopen
Stam: Loop (en dus niet ‘lop’)
Je voegt hier dus een extra o toe.

Meer voorbeelden van de stam:

Werkwoord: Fietsen
Stam: Fiets
Werkwoord: Eten
Stam: Eet
Werkwoord: Lezen
Stam: Lees

De stam oefenen: