Het bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw) | Gratis oefenen & uitleg

Mijn fiets, jouw huis, onze vader… Dit zijn allemaal voorbeelden van het bezittelijk voornaamwoord. Dit voornaamwoord geeft bezit aan. Iets is bijvoorbeeld van jou of van een ander. De afkorting is bez. vnw en het wordt ook wel possessief pronomen genoemd. Op deze pagina kun je uitleg lezen over hoe je het bezittelijk voornaamwoord vindt in een zin en tevens (=ook) vind je uitleg over de spellingsregels.

Een bez. vnw geeft dus aan van wie iets is. Dit voornaamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.

In het kort

Een bezittelijk voornaamwoord geeft bezit aan. Denk aan mijn fiets of jouw fiets.

Onderaan de pagina staan gratis oefeningen.

Overzicht bezittelijk voornaamwoord

Enkelvoud
Eerste persoonMijn
Tweede persoonjouw / je / uw
Derde persoonzijn / haar
Meervoud
Eerste persoonons / onze
Tweede persoonjullie / uw
Derde persoonhun
De rechter kolom geeft een overzicht van alle bezittelijke voornaamwoorden

Verschil tussen persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

  • Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon, ding of dier.
  • Een bezittelijk voornaamwoord geeft bezit aan, het geeft aan van wie iets is.

Uitzondering bezittelijk voornaamwoord

Wanneer het bezittelijk voornaamwoord achter het zelfstandig naamwoord staat, dan is het een persoonlijk voornaamwoord en dus geen bezittelijk voornaamwoord.

  • Die nieuwe fiets is van mij -> ‘mij’ is hier het persoonlijk voornaamwoord en geen bezittelijk voornaamwoord.

Voorbeelden bezittelijk voornaamwoord

ZinBezittelijk voornaamwoord
Dit is mijn huis.mijn
Daar loopt jouw zus.jouw
Dat is onze vader.onze

Jou of jouw?

Bij een bezittelijk voornaamwoord gebruik je jouw.

  • Dit is jouw fiets.

Bij een persoonlijk voornaamwoord gebruik je jou.

  • Deze fiets is van jou.

U of uw?

Hier geldt hetzelfde.

Bij een bezittelijk voornaamwoord gebruik je uw.

  • Dit is uw tas.

Bij een persoonlijk voornaamwoord gebruik je u.

  • Deze tas is van u.

Mij of mijn?

Bij een bezittelijk voornaamwoord gebruik je mijn.

  • Dit is mijn auto.

Bij een persoonlijk voornaamwoord gebruik je mij.

  • Deze auto is van mij.

Gratis oefenen

Klik het bezittelijk voornaamwoord aan in de zin:

Oefen met jou/jouw:

Oefen met u/uw:

Oefen met mij/mijn: