Persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt): uitleg en oefeningen

Als een werkwoord de persoonsvorm van een zin is en de zin in de tegenwoordige tijd staat, dan moet je hem op de volgende manier schrijven/vervoegen:

Als je vergeten bent wat de stam van een werkwoord is, klik dan hier

Persoonsvorm tegenwoordige tijd vervoegen:

Ikstam
Jij/zij/hij/het/ustam + t
Wij/jullie/zijhele werkwoord

Let op, als jij achter de persoonsvorm staat, dan schrijf je alleen de stam!
Zie hiervoor het volgende voorbeeld:

Loop jij morgen naar school?
Omdat jij achter de PV staat schrijf je ‘loop’ in plaats van loopt.
Persoonsvorm met jij erachter

Voorbeelden vervoegingen pvtt

IkWord morgen een jaar ouder.
Jij/zij/hij/het/uWordt morgen een jaar ouder.
Wij/jullie/zijWorden morgen een jaar ouder.
IkLoop
Jij/zij/hij/het/uLoopt
Wij/jullie/zijLopen
IkVind
Jij/zij/hij/het/uVindt
Wij/jullie/zijVinden

D of DT op het eind?

Op toetsen zal vaak gevraagd worden of je een persoonsvorm met een d of dt schrijft. Let hierbij altijd goed op. Je schrijft een werkwoord alleen met dt als:

  • De stam eindigt op een d (de stam van ‘worden’is bijv. ‘word‘)
  • Het werkwoord een persoonsvorm is.
  • Het de tegenwoordige tijd is. Let dus op, in de verleden tijd schrijf je nooit dt!!!!
  • Als je hem vervoegt naar jij/hij/zij/het/u
  • Let op: als jij erachter staat, dan is het niet met dt.

Voorbeelden van dt op het eind

IkWord
JijWordt
uitzondering:Word jij?
HijWordt
ZijWordt
HetWordt
UWordt
WijWorden
JullieWorden
ZijWorden

Oefeningen pvtt/persoonsvorm tegenwoordige tijd: