Wat is de persoonsvorm in de verleden tijd?
De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd of persoon zet. Klik hier om meer te lezen over je de persoonsvorm vindt in een zin. In de verleden tijd verandert de persoonsvorm op een specifieke manier. Het is belangrijk dat je weet hoe je deze vorm correct spelt.
Wanneer gebruik je de verleden tijd?
Je gebruikt de verleden tijd als iets in het verleden is gebeurd en nu afgelopen is.
Voorbeelden:
- Gisteren maakte ik mijn huiswerk.
- Vorig jaar woonden zij nog in België.
Hoe vervoeg je een werkwoord in de verleden tijd?
Stap 1: Kijk of het werkwoord een zwak of sterk werkwoord is
- Zwak werkwoord: krijgt een -te of -de in de verleden tijd (regelmatig).
- Sterk werkwoord: verandert van klank in de verleden tijd (onregelmatig).
Stap 2: Pas het ’t kofschip toe (of: ’t fokschaap)
Om te bepalen of je in de verleden tijd -te of -de moet schrijven bij zwakke (regelmatige) werkwoorden, gebruik je het ezelsbruggetje ’t kofschip of ’t fokschaap.
Wat is ’t kofschip?
’t kofschip is een hulpmiddel dat bestaat uit de medeklinkers:
t, k, f, s, ch, p
Als de stam van het werkwoord eindigt op een van deze medeklinkers, schrijf je in de verleden tijd een vorm met -te of -ten.
Eindigt de stam niet op een van deze medeklinkers? Dan gebruik je -de of -den.
Regels voor ’t kofschip
| Eindigt de stam op… | Gebruik je in de verleden tijd… |
|---|---|
| Medeklinker uit ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p) | -te / -ten |
| Andere medeklinker of klinker | -de / -den |
Voorbeelden
- Werkwoord: werken
Stam = werk → eindigt op k (zit in ’t kofschip) → verleden tijd = werkte - Werkwoord: lachen
Stam = lach → eindigt op ch (zit in ’t kofschip) → verleden tijd = lachte - Werkwoord: leven
Stam = lev → eindigt op v (zit niet in ’t kofschip) → verleden tijd = leefde - Werkwoord: bellen
Stam = bell → eindigt op l (zit niet in ’t kofschip) → verleden tijd = belde
Alternatief: ’t fokschaap
Sommige mensen gebruiken liever ’t fokschaap. Dat is hetzelfde idee, maar bevat de medeklinkers in een ander woord. Welke je kiest, maakt niet uit — het gaat om de klanken.
Voorbeelden van vervoegingen van zwakke werkwoorden in de verleden tijd
| Infinitief | Persoonsvorm verleden tijd enkelvoud | Persoonsvorm verleden tijd meervoud |
|---|---|---|
| maken | maakte | maakten |
| leren | leerde | leerden |
| lopen | liep | liepen |
| zeggen | zei | zeiden |
| fietsen | fietste | fietsten |
Sterke werkwoorden in de verleden tijd
Niet alle werkwoorden volgen de vaste regels van ’t kofschip. Sommige werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Die noemen we sterke werkwoorden.
Wat zijn sterke werkwoorden?
Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd, in plaats van dat je er gewoon -te of -de achter zet.
Je kunt ze niet altijd voorspellen. Je moet deze vormen dus uit je hoofd leren.
Voorbeelden van sterke werkwoorden
| Infinitief | Verleden tijd enkelvoud | Verleden tijd meervoud |
|---|---|---|
| lopen | liep | liepen |
| eten | at | aten |
| zien | zag | zagen |
| nemen | nam | namen |
| beginnen | begon | begonnen |
| lezen | las | lazen |
Oefeningen pvvt:
Vul de pvvt in:
- Persoonsvorm verleden tijd hele zinnen – oefening 1 (2F)
- Persoonsvorm verleden tijd hele zinnen – oefening 2 (2F)
Ik-vorm pvvt oefenen:
Werkwoorden vervoegen:
- Werkwoorden vervoegen oefening 1
- Werkwoorden vervoegen oefening 2
- Werkwoorden vervoegen oefening 3
- Werkwoorden vervoegen oefening 4
Meer oefenen?
Ga verder met de volgende onderdelen van werkwoordspelling: