Wat is een voorzetsel? (vz)

Voorzetsels worden ook wel preposities genoemd en de afkorting van voorzetsels is VZ. In de volgende zinnen zijn de voorzetsels (VZ) gemarkeerd:

  • Op de kast
  • Onder de kast
  • In de kast
  • Voor de kast
  • Achter de kast
  • Naast de kast
  • Tijdens de vergadering
  • Na de vergadering
  • Voor de vergadering
  • Halverwege de vergadering

Vaste voorzetsels

Soms hoort een voorzetsel bij een werkwoord. Dit noem je dan een vast voorzetsel. Aan de hand van voorbeelden is het meestal wat makkelijker te begrijpen. Zie de volgende voorbeelden, de vaste voorzetsels zijn gemarkeerd:

  • Akkoord gaan met
  • Baat hebben bij
  • Betrekking hebben op
  • Confronteren met

Scheidbare werkwoorden

Soms kan het zijn dat je een voorzetsel vindt in een zin, maar dat dit eigenlijk geen voorzetsel is. Dit is het geval bij scheidbare werkwoorden. Het voorzetsel hoort namelijk bij het werkwoord zelf.
Let op: het is in dit geval dus GEEN voorzetsel!!!!!
Zie ook het voorbeeld:

  • Nakijken – Ik kijk vanavond de toetsen na.
  • Het woordje ‘na‘ is in dit geval geen voorzetsel (VZ).

Nog meer voorbeelden:

  • Opnoemen – Noem eens de antwoorden op.
  • Opgeven – Ik geef het op.

Oefenen:

Zinsdelen: uitleg en oefeningen

Wat is het naamwoordelijk gezegde? (nwg)

Deze pagina zal uitleggen wat het naamwoordelijk gezegde is en hoe je het kan vinden. Daarnaast kun je het ook gratis oefenen. De afkorting van het naamwoordelijk gezegde is NWG. Scrol naar onderen om bij de gratis oefeningen te komen.

Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een naamwoordelijk deel, een koppelwerkwoord en soms ook nog hulpwerkwoorden. Dus:

  • Naamwoordelijk gezegde: koppelwerkwoord + (soms hulpwerkwoorden) + naamwoordelijk deel

Het koppelwerkwoord met de hulpwerkwoorden noemen we ook wel het werkwoordelijk deel.

Koppelwerkwoorden

Voordat je het naamwoordelijk gezegde in een zin kunt vinden, moet je eerst alle negen koppelwerkwoorden weten. Leer deze dus uit je hoofd:

  • Zijn
  • Worden
  • Blijven
  • Blijken
  • Lijken
  • Schijnen
  • Heten
  • Dunken
  • Voorkomen

Naamwoordelijk gezegde vinden

Het naamwoordelijk gezegde zegt altijd iets over het onderwerp. Als je dus een koppelwerkwoord vindt in een zin, hoeft dit niet altijd te betekenen dat er een naamwoordelijk gezegde in de zin staat.
Om het naamwoordelijk gezegde te vinden, zoek je dus naar een vervoeging van één van de negen koppelwerkwoorden in een bepaalde zin. Dit klikt misschien allemaal lastig, daarom hebben we de volgende voorbeelden gemaakt:

Voorbeelden:

  • Ik ben voetballer.
  • Naamwoordelijk gezegde: ben voetballer
  • Werkwoordelijk deel: ben
  • Naamwoordelijk deel: voetballer

Ben is een vervoeging van het werkwoord ‘zijn’ en is dus een koppelwerkwoord. En voetballer zegt iets over het onderwerp ‘ik’. ‘Ben voetballer’ is dus het naamwoordelijk gezegde in de zin.

  • Mijn vriend is dertig jaar.
  • Naamwoordelijk gezegde: is dertig jaar
  • Werkwoordelijk deel: is
  • Naamwoordelijk deel: dertig jaar

Het woord ‘is’ is een vervoeging van het koppelwerkwoord ‘zijn’ en ‘dertig jaar’ zegt iets over het onderwerp ‘mijn vriend’. Zo weten we dus dat we te maken hebben met een naamwoordelijk gezegde.


Oefeningen naamwoordelijk gezegde:

Oefentoets zinsdelen

Op deze pagina staan alle oefentoetsen voor het onderdeel zinsdelen van grammatica voor het vak Nederlands. Sommige scholen noemen dit ook wel redekundig ontleden. Hieronder vind je een lijstje om jouw niveau te bepalen. Zo weet je zeker dat je op het juiste niveau oefent voor de toets of het examen.

De niveaus Nederlands:

Niveau 2F is geschikt voor de onderbouw.
Niveau 3F is geschikt voor bovenbouw jaar drie en vier.
Niveau 4F is geschikt voor bovenbouw havo/vwo.


Oefentoetsen:

Wat is een bijwoordelijke bepaling? (bwb)

Deze pagina zal uitleggen wat de bijwoordelijke bepaling is en hoe je het kan vinden. Daarnaast kun je het ook gratis oefenen. De afkorting van de bijwoordelijke bepaling is BWB. Scrol naar onderen om bij de gratis oefeningen te komen.

Niet in elke zin hoeft een bijwoordelijke bepaling te staan. Er kunnen ook meerdere bijwoordelijke bepalingen in een zin staan. Alles wat je overhoudt in de zin, nadat je alles benoemt hebt, is de bijwoordelijke bepaling. Je kunt de bijwoordelijke bepaling dus eigenlijk als een soort ‘prullenbak’ zien. Doorloop dus eerst alle andere stappen tijdens zinsontleding, wat overblijft wordt de bijwoordelijke bepaling:

  1. Persoonsvorm
  2. Werkwoordelijk gezegde
  3. Onderwerp
  4. Lijdend voorwerp
  5. Meewerkend voorwerp
  6. Als je nu nog woorden overhoudt, zijn dat de bijwoordelijke bepalingen.

Voorbeelden:

  • Hij hangt morgen de foto aan de muur.
  • Persoonsvorm: hangt
  • Werkwoordelijk gezegde: hangt aan
  • Onderwerp: hij
  • Lijdend voorwerp: de foto
  • Meewerkend voorwerp: aan de muur
  • Bijwoordelijke bepaling: morgen

Zoals je ziet bleef alleen het woordje ‘morgen’ over. Dus dat is de bijwoordelijke bepaling in de zin.

Nog een voorbeeld van de bijwoordelijke bepaling:

  • Ik pak de voetbal uit de schuur.
  • Persoonsvorm: pak
  • Werkwoordelijk gezegde: pak
  • Onderwerp: ik
  • Lijdend voorwerp: de voetbal
  • Meewerkend voorwerp: geen meewerkend voorwerp
  • Bijwoordelijke bepaling: uit de schuur

Oefeningen bijwoordelijke bepaling:

Wat is een meewerkend voorwerp? (mv)

Deze pagina zal uitleggen wat het meewerkend voorwerp is en hoe je hem kan vinden. Daarnaast kun je hem ook gratis oefenen. De afkorting van het meewerkend voorwerp is MV. Scrol naar onderen om bij de gratis oefeningen te komen.

Om het meewerkend voorwerp te kunnen vinden, moet je eerst de volgende zinsdelen vinden in de zin:

  1. Het werkwoordelijk gezegde
  2. Het onderwerp
  3. Het lijdend voorwerp

Nu je deze zinsdelen gevonden hebt, kun je het meewerkend voorwerp vinden, door de volgende vraag te stellen:

  • Aan (voor) wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp ?

Het antwoord op deze vraag is het meewerkend voorwerp.

Let op: Als je in een zin het woordje ‘aan’ staat, en je kunt deze makkelijk weglaten (de zin loopt dan nog steeds goed), dan is het woord dat erachter staat vaak het meewerkend voorwerp. Zo kun je jezelf vaak controleren. Maar dit is niet altijd het geval en hoeft dus ook niet zo te zijn.

Let op: Een meewerkend voorwerp begint vaak met ‘aan’ of ‘voor’, maar niet altijd.

Voorbeeld:

  • Ik hang het schilderij aan de muur.
  • Gezegde: hang aan
  • Onderwerp: ik
  • Lijdend voorwerp: het schilderij
  • Meewerkend voorwerp: Aan (voor) wie hang ik het schilderij? -> aan de muur

Het meewerkend voorwerp is dus ‘de muur’.

  • Ik geef graag advies aan hem.
  • Gezegde: geef
  • Onderwerp: ik
  • Lijdend voorwerp: advies
  • Meewerkend voorwerp: Aan (voor) wie geef ik advies? -> aan hem

Het meewerkend voorwerp is dus: ‘aan hem’ in deze zin.


Oefeningen meewerkend voorwerp:

Wat is een lijdend voorwerp? (lv)

Deze pagina zal uitleggen wat het lijdend voorwerp is en hoe je hem kan vinden. Daarnaast kun je hem ook gratis oefenen. De afkorting van de persoonsvorm is LV. Scrol naar onderen om bij de gratis oefeningen te komen.

Om het lijdend voorwerp te kunnen vinden, moet je eerst de volgende zinsdelen vinden in de zin:

  1. Het werkwoordelijk gezegde
  2. Het onderwerp

Nu je het gezegde en het onderwerp gevonden hebt, kun je je zelf de volgende vraag stellen om het lijdend voorwerp te vinden:

  • Wie/wat + gezegde + onderwerp ?

Het antwoord op deze vraag is dan het lijdend voorwerp.

Voorbeelden:

  • Hij neemt zijn tennisbal mee.
  • Gezegde: Neemt mee
  • Onderwerp: Hij
  • Lijdend voorwerp: Wie/wat neemt hij mee? -> Zijn tennisbal

Het lijdend voorwerp in de zin is dus ‘zijn tennisbal’.

  • De leraar zou hem gewaarschuwd hebben.
  • Gezegde: Zou gewaarschuwd hebben
  • Onderwerp: De leraar
  • Lijdend voorwerp: Wie/wat zou de leraar gewaarschuwd hebben? -> Hem

Het lijdend voorwerp in de zin is dus ‘hem’.

  • Hij hangt de foto aan de muur
  • Gezegde: Hangt aan
  • Onderwerp: Hij
  • Lijdend voorwerp: Wie/wat hangt hij aan? -> De foto

Het lijdend voorwerp in de zin is dus ‘de foto’.


Oefeningen lijdend voorwerp: