Het persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw) | Gratis oefenen

Wat is een persoonlijk voornaamwoord? Een persoonlijk voornaamwoord is een woord dat verwijst naar een persoon of meerdere personen, zonder ze bij hun naam te noemen. Dat klinkt misschien lastig, dus kijk maar eens naar de voorbeelden hieronder:

Voorbeelden persoonlijk voornaamwoord

1.Ik ga naar haar toe.
2.Hij komt morgen langs bij mij.
3.Ze vertrouwt het niet.
-> Let op: het kan een pers. vnw. zijn als je het door ‘dat’ kunt vervangen.
4.Ik loop naar jou.
5.Wij lopen naar jullie.
Voorbeelden van persoonlijke voornaamwoorden.

Overzicht persoonlijke voornaamwoorden

Enkelvoud
Eerste persoonIkMijMe
Tweede persoonJijJeUJou
Derde persoonHijZijZeHet
Meervoud
Eerste persoonWijWeOns
Tweede persoonJullieJeU
Derde persoonZijZeHenHun
Een overzicht van alle persoonlijke voornaamwoorden.

Oefeningen persoonlijk voornaamwoord

Het werkwoord (ww) | Gratis oefenen

Wat is een werkwoord? En hoe vind je een werkwoord in een zin? De afkorting van werkwoorden is ww. Een werkwoord geeft aan dat er iets gebeurt of dat iemand iets doet. Ze kunnen ook veranderen als je de zin een beetje aanpast. Dat klinkt vast lastig, kijk daarom maar naar de voorbeelden:

Voorbeelden werkwoorden

Tegenwoordige tijd:

  • Ik loop naar school.
  • hij loopt naar school.
  • Ik wil een hond.
  • Wij zijn er al een tijdje.

Verleden tijd:

  • Ik heb gister lekker gegeten.
  • Ik heb gekeken.
  • Ik heb gister veel water gedronken.

Werkwoorden oefeningen:

Het voorzetsel (vz/prepositie) | Gratis oefenen

Voorzetsels worden ook wel preposities genoemd en de afkorting van voorzetsels is VZ. In de volgende zinnen zijn de voorzetsels (VZ) gemarkeerd:

  • Op de kast
  • Onder de kast
  • In de kast
  • Voor de kast
  • Achter de kast
  • Naast de kast
  • Tijdens de vergadering
  • Na de vergadering
  • Voor de vergadering
  • Halverwege de vergadering

Vaste voorzetsels

Soms hoort een voorzetsel bij een werkwoord. Dit noem je dan een vast voorzetsel. Aan de hand van voorbeelden is het meestal wat makkelijker te begrijpen. Zie de volgende voorbeelden, de vaste voorzetsels zijn gemarkeerd:

  • Akkoord gaan met
  • Baat hebben bij
  • Betrekking hebben op
  • Confronteren met

Scheidbare werkwoorden

Soms kan het zijn dat je een voorzetsel vindt in een zin, maar dat dit eigenlijk geen voorzetsel is. Dit is het geval bij scheidbare werkwoorden. Het voorzetsel hoort namelijk bij het werkwoord zelf.
Let op: het is in dit geval dus GEEN voorzetsel!
Zie ook het voorbeeld:

  • Nakijken – Ik kijk vanavond de toetsen na.
  • Het woordje ‘na‘ is in dit geval geen voorzetsel (VZ).

Nog meer voorbeelden:

  • Opnoemen – Noem eens de antwoorden op.
  • Opgeven – Ik geef het op.

Oefenen:

Het bijvoeglijk naamwoord (bnw) | Gratis oefenen

Deze pagina zal uitleggen hoe je het bijvoeglijk naamwoord kunt vinden in een zin.
Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord. Het geeft een eigenschap aan van het zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld het spannende boek. Spannend is het bijvoeglijk naamwoord en het boek is het zelfstandig naamwoord.

Een bijvoeglijk naamwoord schrijf je bijna altijd met een -e op het eind.

Let op: Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal is, dan schrijf je deze met -en op het eind. Bijvoorbeeld de wollen deken.

Voorbeelden

Het huiswerk is lastig
Het mooie huis
Morgen moet ik weer naar school, dan zie ik mijn leuke vrienden weer.
Het houten huis
Hij is onaardig

Bijvoeglijk naamwoord oefenen:

Het zelfstandig naamwoord (znw / infinitief) | Gratis oefenen

Een zelfstandig naamwoord is een woord waar je altijd een lidwoord voor kunt zetten.
Dit kunnen zowel fysieke als niet fysieke zaken zijn. (fysiek = dat je het kunt aanraken)
Zo is een tijdsaanduiding bijvoorbeeld ook een zelfstandig naamwoord, ook al kun je het niet aanraken.

Bij een znw kun je denken aan dingen, namen, plaatsen, tijden, gebeurtenissen gevoelens, afkortingen en nog veel meer.

Voorbeelden van zelfstandige naamwoorden:

(De) persoon
(De) mens
(De) wc
(Het) huis
Duitsland
Den Haag
Samsung
(Het) jaar 2020

Infinitief / onbepaalde wijs als zelfstandig naamwoord

Een infinitief is een niet vervoegd werkwoord. In principe is een infinitief gewoon het hele werkwoord. Deze infinitieven kunnen ook een zelfstandig naamwoord zijn in sommige zinnen. Kijk maar naar de volgende voorbeelden:

Voorbeelden van infinitief als zelfstandig naamwoord:

Tennissen is leuk
Fietsen is gezond
Leren is belangrijk
Het produceren
Het kijken

Zelfstandig naamwoord oefenen

Zelfstandig naamwoord oefening 1 (2F)
Zelfstandig naamwoord oefening 2 (2F)

Gratis woordsoorten oefenen | Nederlands

Woordsoorten oefenen voor het vak Nederlands

Hier kun je gratis woordsoorten oefenen. Hierboven staat een keuzemenu, hier kun je uitleg vinden en ook oefeningen. Zo wordt het lidwoord, het zelfstandig naamwoord, het bijvoeglijk naamwoord, het voorzetsel, het werkwoord en het persoonlijk voornaamwoord behandeld. De uitleg is uitgebreid en duidelijk. Lees eerst de uitleg per onderdeel en als je denkt dat je de stof goed begrijpt, kun je overstappen naar de oefeningen. Het maken van oefeningen is cruciaal, want hierdoor oefen je nog extra met de stof en weet je zeker dat je alles goed begrijpt. Heel veel succes!

Hoe werkt het?

Om te oefenen kun je eerst de theorie lezen, als je daarna wil testen of je alles goed begrijpt, kun je de oefeningen gaan maken. Daarnaast kun je ook aan iemand vragen om je te overhoren.

Is het gratis?

De content op deze website wordt gratis aangeboden. Wij proberen elke week nieuwe oefeningen te publiceren. Daarnaast kun je ook een reactie achterlaten onder de oefeningen als je iets niet begrijpt of een vraag hebt.

Waarom woordsoorten leren?

1. Om een nieuwe taal te leren

Het is belangrijk om woordsoorten te kennen als jij in de toekomst een vreemde taal wil gaan leren. Denk hierbij aan Duits, Frans of wellicht Mandarijn. Je begrijpt dan namelijk hoe de grammaticale regels werken in de Nederlandse taal en dit zal helpen bij het leren van de nieuwe taal. Zo weet jij bijvoorbeeld wat bedoelt wordt met een zelfstandig naamwoord of een voorzetsel.

2. Je maakt geen grammaticale fouten

Nederlands is waarschijnlijk jouw moedertaal. Het is dus belangrijk om deze foutloos te kunnen gebruiken. Dit kan handig zijn bij bijvoorbeeld een sollicitatie. Dit laat zien dat jij de Nederlandse taal adequaat (goed) beheerst.

3. Het is verplicht op school

Misschien is dit een flauwe reden, maar om goede cijfers te halen voor het vak Nederlands op school moet je woordsoorten leren. Daarnaast helpt het ook om teksten beter te begrijpen, wat kan helpen bij het leren voor andere vakken.

Wat zijn tips om woordsoorten (grammatica) te leren?

1. Wees niet bang om fouten te maken

Van je fouten kun je leren. Dus wees niet bang om fouten te maken. Het maken van fouten is niet erg, wellicht begrijp je de stof nu nog niet helemaal. Maar door het maken van fouten, weet jij wat je moeilijk vindt en kun je dit dus extra gaan oefenen. Daarnaast is de kans kleiner dat je dezelfde fout maakt op je toets of examen. Dus dat is dan weer mooi meegenomen! Zie fouten het maken van fouten dus als iets positiefs.

2. Lees zoveel mogelijk

Het lezen van boeken of teksten helpt bij het verbeteren van jouw Nederlands. Dit hoeft geen geld te kosten, er is ook een uitgebreid gratis aanbod aan content op het internet om te lezen.

3. Beloon jezelf voor het harde werken

Vergeet geen pauzes te nemen tijdens het leren. En beloon jezelf voor het harde werken.

4. Verdeel het werk

Om de stof beter te kunnen onthouden, is het belangrijk om het werk te spreiden over een langere periode. Begin dus niet de avond voor de toets met het leren van de stof. Het is veel beter om over een langere periode het werk te verspreiden. Zo onthoud je het veel beter en dit geeft ook veel minder stress.

Veel succes met oefenen!

Het lidwoord (lw) | Gratis oefenen

Lidwoorden (lw) zijn de, het en een. Deze woorden staan voor zelfstandige naamwoorden. Stel je neemt het zelfstandig naamwoord ‘boek’ en je zegt ‘het boek’. Dan is het woordje ‘het’ het lidwoord.

Onderaan de pagina staan gratis oefeningen die je kunt maken om verder te oefenen met lidwoorden.

Er zijn drie lidwoorden:

Overzicht van alle lidwoorden

De
Het
Een
De, het & een zijn lidwoorden.

Goed nieuws dus! Je hoeft alleen maar drie woorden te onthouden bij lidwoorden. Dat scheelt weer bij het leren.

Voorbeelden van lidwoorden

Het boek
De fiets
Een huis

Voorbeelden van lidwoorden in zinnen

Zin Lidwoord
Hij gaf mij een koud glas cola een
Kan jij mij de fles cola aangeven? de
Dit is het boek het

In een grote zin is het misschien wat lastiger om direct de lidwoorden te spotten. Lees daarom de zin rustig door en let dus op of je de woorden de, het of een ziet staan.

Let op voor afkortingen

Er zijn ook afkortingen van de lidwoorden (lw), zo kun je een ook schrijven als ‘n, en kun je het ook schrijven als ’t. Deze afkortingen zijn dus ook lidwoorden.

Zin Lidwoord
Ik heb ’t boek aan hem gegeven ’t
Ik heb ‘n cadeau gekocht ‘n
Zij heeft ‘n nieuwe broek ‘n

Lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden

Een lidwoord kan ook voor een bijvoeglijk naamwoord staan. Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord.

Voorbeeld:

Het mooie boek
  • Het = het lidwoord in deze zin
  • mooie = het bijvoeglijk naamwoord. Dit woord zegt namelijk iets over het boek
  • boek = het zelfstandig naamwoord

Lidwoorden oefenen:

Lidwoorden oefening 1 (niveau 2F)Klik het lidwoord in de zin aan.
Lidwoorden oefening 2 (niveau 2F)Klik het lidwoord in de zin aan.